Vier op de vijf begint met behandeling: hoe kritisch is de poortwachter?

De diagnostische fase geldt in Nederland als de waarborg van de genderzorg: eerst zorgvuldig onderzoeken, dan pas behandelen. Maar hoe vaak leidt dat onderzoek eigenlijk tot een andere uitkomst dan waarmee de jongere binnenkwam? De cijfers zijn minder geruststellend dan het woord zorgvuldig doet vermoeden.
Het getal: 82 procent
Een Nederlandse studie uit 2026 bekeek de dossiers van alle 1.470 jongeren die tussen 2009 en 2019 naar een Nederlandse genderkliniek werden verwezen. Van hen begonnen er 1.206, ruim vier op de vijf, met genderbevestigende medische behandeling; 264 (18 procent) deden dat niet (bron). Bij 38,3 procent van die 264 was de reden dat geen genderdysforie werd vastgesteld, ongeveer honderd jongeren, of zo'n 7 procent van alle verwezenen. Bij 27,7 procent waren er wel genderdysfore gevoelens, maar was een diagnostisch traject niet haalbaar.
Ook de twintigjaarsstudie over de Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria (1.766 kinderen en jongeren) noemt het ontbreken van de diagnose de belangrijkste reden om niet met puberteitsremmers te beginnen (bron).
Waarom dit geen geruststelling is
In dezelfde periode veranderde de instroom ingrijpend. Het aantal verwijzingen steeg sterk, de leeftijd bij aanmelding nam toe en de verhouding tussen jongens en meisjes kantelde naar meisjes (bron). Een diagnostiek waarin vier op de vijf verwezen jongeren uitkomen bij medische behandeling, roept dan de vraag op hoeveel onderscheidend vermogen zij heeft. De klinieken lezen het als bewijs dat verwijzingen doorgaans terecht zijn. De kritische lezing is dat de fase die als waarborg geldt, maar zelden tot een andere uitkomst leidt. De cijfers zelf kunnen tussen die twee lezingen niet kiezen, en ze komen van de klinieken zelf.
De huisarts zeeft niet
De huisarts heeft in de Nederlandse transgenderzorg vaak vooral een verwijsfunctie (bron). In een enquête van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2012 zei 47 procent van de 193 transgender personen die hulp zochten bij de huisarts, dat de huisarts wilde helpen maar geen informatie had (bron). Daarmee rust de beoordeling grotendeels op de diagnostische fase van de kliniek.
Wat het cijfer niet laat zien
Eerlijkheid gebiedt te zeggen wat deze cijfers niet bewijzen. Ze tonen niet aan dat diagnoses onterecht zijn. Ze zeggen ook niets over wie al afhaakte tijdens de jarenlange wachttijd. Van de jongeren die niet met behandeling begonnen, meldde 28,8 procent zich als volwassene opnieuw aan (bron). En de classificatie veranderde onderweg, van genderidentiteitsstoornis in DSM-IV naar genderdysforie in DSM-5.
Wat een poortwachter zou moeten kunnen aantonen
Een diagnostische fase die als waarborg wordt gepresenteerd, zou moeten kunnen laten zien hoe vaak zij tot een andere conclusie komt, op welke gronden, en wat er daarna met die jongeren gebeurt. In Engeland strandde een koppelingsstudie naar de latere uitkomsten van ongeveer 9.000 jongeren, omdat zes van de zeven volwassenenklinieken niet wilden meewerken (bron). Zolang de klinieken hun eigen diagnostiek beoordelen en hun eigen cijfers publiceren, blijft een percentage als 82 procent een getal dat iedereen naar eigen overtuiging kan uitleggen.
Bronnen
- Characteristics of Dutch Gender Clinic-Referred Adolescents Who Did Not Pursue Gender-Affirming Medical Treatment (2026). Europe PMC.
- Van der Loos, M. e.a. (2023). Children and adolescents in the Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria. The Journal of Sexual Medicine.
- Genderzorg Nederland (2026). Van huisarts tot diagnose: wat de cijfers wel en niet zeggen.
- Cass, H. (2024). Final Report. Cass Review.
Zie ook
Veelgestelde vragen
Hoeveel verwezen jongeren beginnen met medische behandeling?
Van de 1.470 jongeren die tussen 2009 en 2019 naar een Nederlandse genderkliniek werden verwezen, begonnen er 1.206 (82 procent) met genderbevestigende medische behandeling; 264 (18 procent) niet.
Hoe vaak krijgen jongeren de diagnose genderdysforie niet?
Van de 264 jongeren die niet met behandeling begonnen, kreeg 38,3 procent de diagnose niet: ongeveer honderd jongeren, zo'n 7 procent van alle verwezenen.
Bewijst het hoge percentage dat diagnoses onterecht zijn?
Nee. Het cijfer kan wijzen op terechte verwijzingen of op een diagnostiek die zelden tot een andere uitkomst komt. De cijfers komen van de klinieken zelf en kunnen tussen die lezingen niet kiezen.
