De vijf claims van Pointer over transgenderzorg weerlegd
Pointer publiceerde op 14 juli 2026 het artikel “Nee, transgender zijn is geen psychische stoornis – en 4 andere claims ontkracht”. In het artikel worden vijf claims besproken die volgens Pointer veelvuldig online circuleren en die door Pointer als desinformatie worden aangemerkt. Omdat Pointer daarbij de genderkritische websites in verband brengt, vinden wij het belangrijk om de vijf voorbeelden nader te bekijken: wat Pointer beweert, welke informatie of bronnen op de websites daadwerkelijk worden aangehaald, en waarom wij de kwalificatie “desinformatie” in deze gevallen niet gerechtvaardigd achten. Zie ook wie wij zijn en wat de websites doen.
Claim 1: ‘Trans zijn is een psychische stoornis’
Pointer beschrijft terecht de historische ontwikkeling van de classificatie van genderdysforie en de verschuiving van gender identity disorder naar gender dysphoria in de DSM-5. Daarbij benadrukt Pointer dat niet het transgender-zijn als zodanig als psychische stoornis wordt beschouwd, maar dat er sprake kan zijn van klinisch significant lijden als gevolg van de incongruentie tussen de ervaren sekse en het geboortegeslacht.
De depathologisering van gendergerelateerde distress is de afgelopen jaren onderwerp geweest van kritiek, die door verschillende critici en wetenschappers systematisch is uitgewerkt.
De kern van die kritiek is een spanning tussen depathologisering en medische diagnostiek. Enerzijds wordt transgender-identiteit binnen de huidige benadering niet beschouwd als een psychische stoornis. Anderzijds is voor toegang tot medische interventies nog steeds een klinische beoordeling nodig. In de DSM-5 bestaat daarvoor de diagnose gender dysphoria; in de ICD-11 is gender incongruence ondergebracht binnen het hoofdstuk over aandoeningen gerelateerd aan seksuele gezondheid.
Daarmee ontstaat de vraag: als de identiteit zelf niet pathologisch is, wat is dan precies het klinische probleem waarvoor medische interventie wordt geïndiceerd? Het antwoord binnen de huidige classificaties is niet dat transgender-zijn een psychische stoornis is. Het gaat om de aanwezigheid van genderdysforie of genderincongruentie en, afhankelijk van het classificatiesysteem en de context, om de klinische beoordeling van de hulpvraag.
Deze kritiek stelt dat bij mensen die een ingrijpende en soms onomkeerbare lichamelijke transitie wensen, niet alleen moet worden vastgesteld dát iemand genderdysforie of genderincongruentie ervaart, maar ook onderzocht moet worden welke factoren aan die hulpvraag ten grondslag kunnen liggen. Een belangrijk aspect hierbij is verificatie van de zelfrapportage bij de directe sociale omgeving.
Dat betekent niet dat geslachtsnonconformiteit of een niet-traditionele genderexpressie op zichzelf als pathologisch moet worden beschouwd. De discussie gaat over de medische hulpvraag en de wens tot ingrijpende lichamelijke interventie. Een zorgvuldige differentiaaldiagnostische beoordeling kan aandacht besteden aan psychische klachten, ontwikkelingsgeschiedenis, neurodivergentie, trauma, lichamelijke of psychologische problematiek en de sociale context. Het doel is alternatieve verklaringen en relevante factoren niet over het hoofd te zien.
Deze stroming pleit voor een vorm van ‘re-pathologisering’ van de medische transitiehulpvraag. Dat is een standpunt waarover discussie bestaat. De onderliggende vraag is echter legitiem: hoe voorkomen we dat het uitgangspunt dat een transgender-identiteit niet pathologisch is, onbedoeld leidt tot het overslaan van een noodzakelijke differentiaaldiagnostische beoordeling?
Pointer heeft gelijk dat transgender-zijn als zodanig in de DSM-5 niet meer als psychische stoornis wordt geclassificeerd. Daaruit volgt niet dat daarmee iedere diagnostische vraag rond een medische transitie is opgelost. De relevante discussie is verschoven naar de vraag wat diagnostisch moet worden onderzocht voordat iemand ingrijpende medische interventies krijgt, en in hoeverre die differentiaaldiagnostiek daadwerkelijk plaatsvindt.
Claim 2: Bij trans mensen is iets anders aan de hand
Pointer bespreekt de claim dat er bij transgender personen ‘iets anders aan de hand’ zou zijn. Daarbij wordt onder meer Caroline Franssen van Stichting Voorzij aangehaald, die stelt dat jongeren die in transitie gaan vaak verward zijn en doorgaans psychiatrische diagnoses hebben. Endocrinoloog Christa van Bunderen reageert dat de verhouding tussen genderdysforie en psychische klachten ingewikkeld is. Volgens haar ziet zij vooral dat het lijden dat ontstaat doordat iemand niet zichzelf kan zijn, tot psychische klachten kan leiden en dat deze klachten vervolgens door behandeling en begeleiding kunnen verminderen.
Dat psychische problematiek bij transgender personen vaker voorkomt dan in de algemene bevolking, wordt door Pointer niet ontkend. Pointer schrijft dat transgender personen vaker kampen met onder meer depressieve klachten en suïcidale gedachten. Als verklaring wordt vooral gewezen op discriminatie, stigmatisering en interne conflicten. Ook de Gezondheidsraad benadrukt in zijn rapport van juni 2026 het belang van de sociale omgeving en het gebrek aan acceptatie van genderdiversiteit.
Er is echter een belangrijk verschil tussen het vaststellen van een verhoogde prevalentie van psychische problematiek en het verklaren van de oorzaak daarvan. Er zijn al langer aanwijzingen dat psychische en psychiatrische problematiek bij mensen met genderdysforie of genderincongruentie een belangrijke rol kan spelen. In de vroege Nederlandse literatuur over genderdysforie en transseksualiteit, waaronder het werk van Kuiper (1991) en De Cuypere (1995), wordt beschreven dat bij een aanzienlijk deel van de onderzochte patiënten sprake was van ernstige psychische problematiek.
Uit het onderzoek van Kuiper (1991) kwam naar voren dat patiënten na medische transitie op bepaalde maten van zelfgerapporteerd subjectief welbevinden verbetering rapporteerden. Dat betekent niet dat daarmee de bredere psychische of psychosociale problematiek aantoonbaar verdween. Voor zover uit de studie blijkt, werd een dergelijke verbetering niet weerspiegeld in concretere uitkomsten als werkloosheid, eenzaamheid en depressieve klachten.
Recenter onderzoek van Ruuska et al. (2026) onderzocht de psychiatrische morbiditeit bij een Fins cohort van jongeren die zich bij gespecialiseerde genderzorg hadden gemeld. Onder degenen die medische geslachtsaanpassing ondergingen, steeg de geregistreerde psychiatrische morbiditeit tijdens de follow-up van 9,8% naar 60,7% bij de feminiserende groep en van 21,6% naar 54,5% bij de masculiniserende groep. De auteurs concluderen dat psychiatrische behoeften na medische geslachtsaanpassing niet verdwijnen.
De Cass Review beschrijft de hoge frequentie van psychische en neuro-ontwikkelingsproblematiek bij jongeren die zich presenteren met genderdysforie of genderincongruentie. De Review waarschuwt voor diagnostic overshadowing: het risico dat andere psychische of ontwikkelingsproblemen onvoldoende worden herkend doordat alle klachten door de lens van gender worden bekeken. Ook het HHS-rapport refereert aan diagnostic overshadowing.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen associatie en causaliteit. Verschillende systematische reviews en meta-analyses vinden verbanden tussen bepaalde vormen van minority stress en psychische uitkomsten. Deze reviews wijzen zelf op belangrijke methodologische beperkingen. Veel van het onderzoek is cross-sectioneel, waardoor niet kan worden vastgesteld wat oorzaak en gevolg is. Ook wordt gewezen op selectiebias, verschillen in meetmethoden en het gebrek aan voldoende longitudinaal onderzoek. Een ander punt van kritiek is dat het minority-stressmodel de verklaring voor iemands klachten primair buiten de persoon legt, bij de erkenning en houding van de omgeving, waardoor de eigen ontwikkelingsgeschiedenis en andere mogelijke verklaringen minder snel worden onderzocht.
Het is daarom niet gerechtvaardigd om uit dergelijke onderzoeken te concluderen dat psychische problemen bij transgender personen voornamelijk of in belangrijke mate worden veroorzaakt door discriminatie of maatschappelijke afwijzing. Wanneer iemand zowel genderdysforie als bijvoorbeeld autisme, een verstandelijke beperking, depressie, angstproblematiek of een andere psychiatrische aandoening heeft, is het niet vanzelfsprekend dat al deze problemen het gevolg zijn van dezelfde sociale oorzaak. De causaliteit kan ook andersom, wederzijds of complexer zijn.
De aanwezigheid van psychische problematiek moet niet automatisch worden geïnterpreteerd als een gevolg van het ‘transgender-zijn’ of van maatschappelijke afwijzing. De klinische vraag is welke factoren bij de individuele patiënt een rol spelen en hoe die informatie moet worden meegewogen voordat ingrijpende medische beslissingen worden genomen.
Claim 3: Trans zijn is een uiting van autisme
Pointer schrijft: “Online gaat ook veel rond dat trans mensen eigenlijk autistisch zouden zijn.” Als Pointer de genderkritische websites in verband brengt met deze claim, is de vraag waar op de websites staat dat trans zijn een uiting van autisme is. Wij kunnen die bewering niet terugvinden. Als Pointer van mening is dat wij deze claim maken, horen daar een concrete URL en een letterlijk citaat bij.
Er bestaat wel een relevante wetenschappelijke bevinding: autisme komt bij mensen met genderdysforie of genderincongruentie veel vaker voor dan in de algemene bevolking. Een systematische review en meta-analyse vond bij deze populatie een prevalentie van ongeveer 11 procent voor een autismediagnose, tegenover naar schatting 1 à 2 procent in de algemene bevolking. De onderzoekers vonden bovendien een statistische associatie tussen autistische kenmerken en genderdysforie. Dat is iets anders dan beweren dat autisme de oorzaak van genderdysforie is, maar het is ook iets anders dan doen alsof er slechts sprake is van een toevallige co-existentie.
De relevante conclusie uit het onderzoek is dat autisme en genderdysforie opvallend vaak samen voorkomen, maar dat de aard en richting van die relatie nog onvoldoende opgehelderd zijn. Dat is een legitiem onderwerp voor verder onderzoek. Wat daaruit niet volgt, is dat “trans zijn” een uiting van autisme is. Evenmin volgt uit het ontbreken van een bewezen causale verklaring dat de samenhang als een betekenisloze toevalligheid terzijde kan worden geschoven.
Claim 4: Trans zijn is een fase
Pointer presenteert de kwestie alsof genderkritische critici beweren dat iedere jongere die zich transgender noemt slechts “een fase” doormaakt. De relevante vraag is preciezer: hoe stabiel zijn genderdysforie, de identificatie met het andere geslacht en de wens tot medische transitie gedurende de ontwikkeling, en bij welke jongeren veranderen die uitkomsten later?
Bij deze claim is ook precisie over de brontekst zelf van belang. Op transspijt.nl staat de bewering dat ongeveer 80 procent van de kinderen met genderdysforie dit gevoel tijdens de puberteit weer loslaat — een uitspraak over het spontane beloop van genderdysforie bij kinderen die geen medische behandeling hebben gekregen. In het Pointer-artikel wordt dit weergegeven als: “Zo melden verschillende genderkritische websites, zoals transspijt.nl, dat genderdysforie in 80 procent van de gevallen vanzelf overgaat als je het niet behandelt.” Dat is een andere bewering dan de oorspronkelijke tekst: de website doet geen uitspraak over wat er gebeurt als je wél of niet behandelt, maar over het natuurlijke beloop van onbehandelde genderdysforie bij kinderen. Pointer voegt met “als je het niet behandelt” een causale suggestie toe die niet in de brontekst staat. Dat onderstreept waarom een claim over “wat genderkritische websites beweren” eerst zorgvuldig tegen de daadwerkelijke brontekst moet worden gelegd, voordat de kwalificatie “desinformatie” wordt toegepast.
Pointer laat de inhoudelijke vraag beantwoorden door endocrinoloog Christa van Bunderen, die zich beroept op wat zij in haar eigen ziekenhuis aantreft: “Bij de mensen die wij hier in het ziekenhuis zien, bij wie het echt al langdurig speelt, gaat het niet in de meeste gevallen over.”
Wie in een gespecialiseerde genderkliniek terechtkomt, vormt niet automatisch een representatieve afspiegeling van alle jongeren die ooit genderdysforie of gevoelens van genderincongruentie hebben ervaren. Het rapport Tekortkomingen in het Nederlandse Genderzorgprotocol (interimversie, april 2026) gaat uitvoerig in op ontwikkelingspsychologie, differentiaaldiagnostiek en het risico van voortijdige identiteitsfixatie. Het rapport bespreekt onder meer het concept identity foreclosure van Marcia: het voortijdig vastleggen van een identiteit zonder voldoende exploratie van alternatieven. Een jongere kan oprecht en consistent zijn in zijn of haar overtuiging, terwijl die overtuiging later toch verandert. Consistentie van een wens is niet hetzelfde als bewezen toekomstige persistentie.
Radboudumc begon pas in 2020 met transgenderzorg voor kinderen en in 2021 met transgenderzorg voor volwassenen. Daarmee is het centrum te jong om uit zijn huidige patiëntenpopulatie zonder meer conclusies te trekken over zeer langdurige uitkomsten. In de Amsterdamse cohortstudie van Wiepjes et al. was de gemiddelde tijd tot geregistreerde spijt 130 maanden (ongeveer 10,8 jaar) na de start van hormoonbehandeling. Andere analyses wijzen er eveneens op dat spijt vele jaren na een transitie kan optreden en dat langdurige follow-up daardoor essentieel is.
Als iemand acht, tien of twaalf jaar na een medische transitie spijt krijgt, is die persoon dan nog patiënt bij de oorspronkelijke genderkliniek? Mensen die uit beeld verdwijnen, elders zorg zoeken, stoppen met behandeling, hun identiteit veranderen of pas jaren later spijt ontwikkelen, kunnen juist ontbreken in de actuele kliniekpopulatie.
Van Bunderen stelt dat haar centrum het aantal mensen met spijt ‘in kaart’ heeft gebracht en dat dit onder de één procent ligt. Dan is de vraag relevant: hoeveel voormalige patiënten zijn gevolgd, hoe lang, hoeveel zijn uit beeld geraakt, wordt na ontslag systematisch naar detransitie en spijt gevraagd, hoe wordt spijt gedefinieerd, worden mensen die niet terugkomen bij de kliniek nog meegeteld, en zijn deze cijfers gepubliceerd en peer-reviewed?
In de huidige genderzorg wordt de consistentie van de hulpvraag soms behandeld alsof daarmee ook de toekomstige stabiliteit van de onderliggende identiteit is aangetoond. Een ontwikkelingspsychologisch proces laat zich niet zo eenvoudig vastleggen. Het Tekortkomingen-rapport bespreekt daarom het belang van ontwikkelingsgeschiedenis, differentiaaldiagnostiek en hetero-anamnestische informatie. Wanneer ouders signalen geven die niet overeenkomen met het huidige zelfverhaal van een jongere, kan dat diagnostisch relevante informatie zijn over de ontwikkeling die door zelfrapportage alleen niet zichtbaar wordt.
Claim 5: Veel trans personen krijgen spijt
Pointer presenteert een tegenstelling: genderkritische organisaties zouden beweren dat ongeveer 30 procent van de trans personen spijt krijgt, terwijl “grote studies” op ongeveer 1 procent uitkomen. Op de door Pointer genoemde sites wordt voor het percentage van ongeveer 30 procent verwezen naar wetenschappelijke literatuur, onder meer de Zweedse studie van Dhejne et al. Dat betekent niet automatisch dat 30 procent als het percentage trans personen met spijt kan worden vastgesteld, maar het maakt de voorstelling dat het getal uit de lucht is gegrepen onjuist.
De meta-analyse van Bustos et al. uit 2021 vond een gepoolde prevalentie van 1 procent spijt na genderbevestigende chirurgie (95%-BI <1–2%). De auteurs wijzen zelf op belangrijke beperkingen, waaronder de hoge subjectiviteit van het begrip spijt, het ontbreken van gestandaardiseerde meetinstrumenten en verschillen tussen de onderzochte studies. Bovendien liep de follow-up in de geïncludeerde studies uiteen van 0,8 tot 9 jaar. Het gaat om spijt na chirurgie, niet om een algemeen percentage van alle trans personen dat ooit spijt krijgt van een volledige medische of sociale transitie.
Een laag geregistreerd percentage spijt kan alleen overtuigend worden geïnterpreteerd als redelijk zeker is dat degenen die uit beeld verdwijnen niet disproportioneel vaak tot de groep met negatieve uitkomsten behoren. In de Amsterdamse cohortstudie van Wiepjes et al. was 36 procent van de patiënten verloren voor follow-up. Een latere bespreking van de studie merkt op dat de prevalentie van spijt bij deze groep onbekend is. De definitie van “spijt” in Wiepjes was smal: het ging om mensen die na gonadectomie terugkeerden naar de Amsterdamse kliniek, spijt uitten en vervolgens opnieuw hormonen passend bij hun geboortegeslacht gingen gebruiken.
De Gezondheidsraad stelt in zijn advies van juni 2026 expliciet dat hij geen uitspraak kan doen over het aantal mensen dat spijt heeft van hormoonbehandelingen in Nederland, omdat daarvoor te weinig gegevens beschikbaar zijn.
Zelfs als het percentage expliciete, geregistreerde spijt laag zou zijn, volgt daaruit niet dat de behandeling gemiddeld tot een duurzaam beter leven leidt. Geen spijt is geen positieve uitkomstmaat. Een patiënt kan geen formele spijt melden en toch psychisch, relationeel, seksueel, sociaal of lichamelijk problemen ervaren. Het begrip “spijt” is te smal om als primaire maatstaf voor het succes van een medisch model te dienen.
De relevante vraag is of de behandeling op lange termijn tot aantoonbaar betere uitkomsten leidt dan de alternatieven. Daarvoor zijn langdurige gegevens nodig over onder meer psychisch functioneren, kwaliteit van leven, lichamelijke gezondheid, relaties, opleiding en arbeid, naast een adequate vergelijking met relevante groepen.
Pointer schrijft dat de Gezondheidsraad kanttekeningen plaatst bij de lage cijfers vanwege loss of follow-up. Dat is correct. De raad wijst zelf op substantiële uitval en het feit dat daardoor cijfers over stoppen, spijt en detransitie niet betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Als de onderliggende data onvolledig zijn, is de juiste wetenschappelijke conclusie dat de omvang van spijt en detransitie onvoldoende betrouwbaar kan worden vastgesteld. Dat is ook de conclusie van de Gezondheidsraad voor Nederland.
Pointer sluit af met de mededeling dat “een medische transitie het welzijn van veel trans personen verbetert”. De Gezondheidsraad formuleert voorzichtiger: de mentale gezondheid lijkt door hormoonbehandeling te verbeteren, maar er zijn beperkte gegevens over ongewenste effecten beschikbaar. Over het aantal jongeren dat spijt heeft van hormoonbehandeling kan de raad geen uitspraak doen.
Transgender Netwerk en Transvisie zijn belangenorganisaties. Dat betekent niet dat alles wat zij publiceren onjuist is. Het betekent wel dat hun publicaties niet automatisch als neutrale wetenschappelijke bron kunnen worden gepresenteerd.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Reactie op Pointer.
