In maart 2026 publiceerde het Journal of Adolescent Health een omvangrijke Canadese studie die moet aantonen dat de genderidentiteit van jongeren in gespecialiseerde genderklinieken opvallend stabiel is. Onderzoekers van vier Canadese kinderendocrinologie-klinieken, onder leiding van Margaret Lawson, bekeken de dossiers van 445 jongeren die tussen 2012 en 2017 werden verwezen wegens genderdysforie. Na een mediane follow-up van 2,4 jaar bleek 97,1 procent zich nog altijd te identificeren als transgender of non-binair; slechts 2,9 procent keerde terug naar de sekse waarmee ze geboren waren. Van de bijna 80 procent die met hormonen begon, staakte uiteindelijk maar 1 procent die behandeling weer. Op het eerste gezicht een krachtig argument vóór het model van vroege medische bevestiging — de Canadese onderzoeksinstelling CHEO bracht het dan ook naar buiten als bewijs dat "genderidentiteit stabiel blijft voor de meeste jongeren die gespecialiseerde zorg krijgen". Bij nadere lezing van de methode blijkt de studie vooral te meten wie er in het systeem blijft hangen, niet wie er werkelijk baat bij heeft.

Een dossieronderzoek is geen volgstudie

De studie is een retrospectieve chart review: onderzoekers keken terug in de medische dossiers van vier klinieken, niet vooruit met een onafhankelijke, systematische follow-up van elke deelnemer. Dat onderscheid is cruciaal. Een jongere die om welke reden dan ook stopt met naar de kliniek te gaan — omdat de identiteit veranderde, omdat de zorg niet beviel, omdat iemand verhuisde — verdwijnt simpelweg uit het dossier. Die persoon wordt in deze telling niet geregistreerd als 'teruggekeerd naar de geboortesekse'; die persoon telt gewoon niet meer mee. Een percentage van 97,1 procent 'stabiel' zegt daarom vooral iets over de mensen die zijn blijven terugkomen, niet over de volledige groep die ooit werd verwezen.

Uitval is geen bevestiging van stabiliteit

Dit is precies het probleem dat critici van persistence-onderzoek al jarenlang aankaarten, onder meer rond de Cass Review in het Verenigd Koninkrijk: als uitval structureel niet wordt gevolgd, ontstaat een vertekend beeld waarin stabiliteit wordt overschat. De Finse registerstudie van Ruuska en collega's — eerder op deze site besproken — omzeilde dit probleem juist door gebruik te maken van landelijke zorgregisters in plaats van kliniekdossiers, en vond zo dat de psychiatrische zorgvraag van dezelfde populatie na behandeling juist toenam. Twee onderzoeksmethodes, twee totaal verschillende uitkomsten — niet omdat de werkelijkheid tegenstrijdig is, maar omdat de ene methode alleen ziet wie blijft, en de andere ziet wat er werkelijk met mensen gebeurt.

Stabiele identificatie is geen bewijs van goede zorg

Zelfs als de 97,1 procent een reële weergave zou zijn, blijft de vraag onbeantwoord of dat iets zegt over de kwaliteit van de uitkomst. Dat slechts 1 procent van de jongeren die hormonen kregen daar weer mee stopte, kan evengoed wijzen op een gebrek aan laagdrempelige uitstapmogelijkheden binnen het protocol, op klinische traagheid om een eenmaal ingezette behandeling te heroverwegen, of op de bekende drempel om tegen een investering van jaren in te gaan — dan op een bewijs dat de behandeling voor iedereen de juiste keuze was. Stabiele identificatie en welzijn zijn twee verschillende metingen, en deze studie meet alleen de eerste.

Betekenis voor de Nederlandse discussie

Dat maakt deze studie relevant voor het Nederlandse debat over de bewijsbasis achter de huidige genderzorg. Ook in Nederland wordt uitval uit de genderklinieken doorgaans niet systematisch gevolgd, en ook hier wordt de aanhoudende vraag naar zorg — net als in Canada — soms aangehaald als indirect bewijs dat de ingezette behandeling werkt. De Canadese studie laat zien hoe voorzichtig die redenering moet worden gehanteerd: een cijfer over wie in de kliniek blijft, is geen cijfer over wie er beter van wordt.