In juli 2026 hield de European Professional Association for Transgender Health (EPATH) haar Summer School in Gent. Geen open wetenschappelijk congres, maar een streng gescreende bijeenkomst voor de inner circle. Zelfs een Gentse kinderarts werd de toegang geweigerd. Wat daar gebeurde, was geen wetenschappelijke uitwisseling. Het was een collectieve oefening in cognitieve dissonantie, verpakt als “gender medicine”.

Een bevestigingscirkel, geen debat

Het enige openbare paneel, “Voices in Dialogue”, trok zo’n 120 bezoekers. Alle vijf panelleden waren zelf trans (vier FtM, één MtF). Het publiek bestond grotendeels uit medesympathisanten. Kritische stemmen? De auteur van het Genspect-verslag telde er vijf, inclusief zichzelf. Het resultaat was geen debat, maar een tweeënhalf uur durende bevestigingscirkel van persoonlijke anekdotes, “lived experience” en wederzijdse bevestiging.

Dat is geen wetenschap. Dat is een gesloten ideologische kring.

Dataverduistering

Joz Motmans, psycholoog en coördinator van de genderkliniek van UZ Gent, noemde transgenderzorg openlijk “een vorm van activisme”. Motmans vertelde ook dat hij, wanneer hij met buitenstaanders over transitie spreekt, steevast dezelfde reactie krijgt: “Allemaal goed, maar de kinderen!” Het publiek lachte herkennend — die vraag kennen zij maar al te goed.

Motmans lichtte verder toe dat in de diagnostische vragenlijsten naar genderdysforie de vraag naar suïcidegedachten bewust is weggelaten. De redenering: het is al zo goed bekend hoe frequent die gedachten voorkomen bij jongeren met genderdysforie — men wil de wonde niet nog eens openrijten.

Die redenering berust op een aanname die niet klopt. De hoge suïcidecijfers die regelmatig worden aangehaald, komen vrijwel uitsluitend uit zelfrapportage-surveys — en zelfrapportage van pogingen is iets heel anders dan werkelijke suïcidesterfte. Onderzoek van Michael Biggs (2022) naar alle kliniek-verwezen trans-jongeren bij de Tavistock GIDS in de periode 2010–2020 telde vier bevestigde of vermoedelijke suïcides onder circa 15.000 jongeren — een cumulatief aandeel van 0,03%. Het jaarlijkse suïcidecijfer komt uit op 13 per 100.000, dat is ongeveer 5,5 keer hoger dan bij leeftijdsgenoten in de algemene bevolking — een reëel, maar aanmerkelijk bescheidener risico dan surveys suggereren. Bovendien is onduidelijk in hoeverre dit verhoogde risico toe te schrijven is aan genderdysforie zelf, of aan de bekende comorbiditeit met autisme, depressie en eetstoornissen.

Kortom: de veronderstelling “we weten al dat het vreselijk is” is niet empirisch onderbouwd. Juist dáárom is het weglaten van de vraag zo verontrustend: men bouwt beleid op een mythe, en schrapt tegelijk de data die die mythe zou kunnen corrigeren. Dat is geen zorgzaamheid. Dat is dataverduistering.

Cognitieve dissonantie als systeem

De enige pediatrisch getransitioneerde op het panel, Senne Misplon, sprak met nauwelijks verholen minachting over “cis-vrouwen” die “een stereotype leven”. Alsof vrouwen die hun biologische sekse accepteren per definitie onderworpen of naïef zijn. Deze houding is geen bijzaak. Het is een psychologische noodzaak: om de eigen medische transitie te rechtvaardigen, moet het gewone vrouw-zijn voortdurend als minderwaardig of onderdrukt worden afgeschilderd. Dat is geen analyse. Dat is cognitieve dissonantie in actie.

De enige man-naar-vrouw-transitioner op het podium, Joppe de Campeneere, een man van ruim twee meter in make-up en een doorzichtige top, klaagde dat hij niet kan “passeren” terwijl hij er alles aan deed om gezien te worden. Hij vond het grappig dat vrouwen hem misschien “zij” noemen uit angst voor zijn fysieke omvang. De sfeer die hiervan uitging was niet die van een kwetsbare patiënt, maar van iemand die de sociale druk perfect doorheeft en erin meespeelt.

Wat ontbrak

Elke serieuze discussie over de zwakke bewijskracht van puberteitsremmers en cross-sex hormonen bij adolescenten. Elke kritische blik op de lange-termijnschade: onvruchtbaarheid, seksuele dysfunctie, botdichtheid, cardiovasculære risico’s, cognitieve effecten. Elke erkenning van de explosieve toename van meisjes met late-onset genderdysforie, de comorbiditeit met autisme, trauma en eetstoornissen, of de detransitioners die nu met permanente littekens zitten.

In plaats daarvan hoorden we over “positive stories”, “flooding the world with kindness” en strategisch zwijgen tegenover “cis-mensen”. Eén panellid zei het hardop: niet iedereen hoeft alles te weten. Je praat anders tegen transmensen dan tegen buitenstaanders. Dat is geen open wetenschap. Dat is gecontroleerde informatie.

De organisatie achter de Europese standaard

Dit is de EPATH die Annelou de Vries de afgelopen jaren heeft voorgezeten. Dit is de organisatie die de Europese standaard claimt te zetten voor transgenderzorg. En dit is wat er gebeurt wanneer de kritische buitenwereld zorgvuldig buiten de deur wordt gehouden: een zelfbevestigende bubbel waarin activisme, ideologie en medische interventies naadloos in elkaar overlopen.

Wetenschap eist open debat, systematische data, en de bereidheid om ongemakkelijke uitkomsten onder ogen te zien. Wat in Gent plaatsvond, was het tegendeel.

Het was een schande. Niet alleen voor de betrokken clinici, maar voor de medische professie als geheel.