
Op 30 juni 2026 concludeerde de Gezondheidsraad dat er geen aanleiding is om de Nederlandse transgenderzorg voor minderjarigen aan te passen. Een opvallende dwarsligger in het daaropvolgende debat is geen jeugdpsychiater of endocrinoloog, maar een bioloog: Johan Bolhuis, emeritus-hoogleraar cognitieve neurobiologie aan de Universiteit Utrecht en affiliated professor aan de Universiteit van Cambridge. Zijn kritiek raakt niet de uitkomst van het rapport op zich, maar de manier waarop de Gezondheidsraad tot die uitkomst kwam.
Onwetenschappelijke taal in een wetenschappelijk rapport
Bolhuis, die zijn loopbaan besteedde aan onderzoek naar taalontwikkeling in het brein, valt allereerst over het woordgebruik in het rapport. Termen als 'genderidentiteit' en 'geslacht dat bij geboorte is toegekend' zijn volgens hem geen neutrale, wetenschappelijke beschrijvingen maar aannames die als vaststaand feit worden gepresenteerd. Een rapport dat pretendeert de wetenschappelijke stand van zaken te wegen, zou volgens hem moeten beginnen bij een taal die geen kant kiest voor het ter discussie staande uitgangspunt zelf.
Wie schreef mee aan het rapport?
Een tweede bezwaar betreft de samenstelling van de commissie. Van de twaalf opstellers hadden er zes een directe betrokkenheid bij genderbehandelingen — als behandelaar, onderzoeker binnen een genderkliniek of anderszins verbonden aan de zorg die het rapport moest beoordelen. Diezelfde zorg over de samenstelling klonk eerder al door bij critici uit juridische hoek, die vergelijkbare belangenverstrengeling signaleerden. Een raad die zichzelf voor een groot deel beoordeelt, is volgens Bolhuis geen onafhankelijke toetser.
Van 82 procent naar 90 procent
Bolhuis wijst ook op de cijfers die de Gezondheidsraad zelf aanlevert. Onderzoek van Amsterdam UMC laat zien dat 82 procent van de adolescenten die in het traject instromen, uiteindelijk in medische transitie gaat; van hen krijgt meer dan 90 procent vervolgens hormoonbehandeling. De raad erkent daarbij zelf dat de langetermijneffecten op cognitie en vruchtbaarheid onvoldoende zijn onderzocht — en concludeert desondanks dat er geen reden is om de aanpak te herzien. Voor Bolhuis is dat de kern van het probleem: een instroom die bijna altijd tot medische behandeling leidt, terwijl de gevolgen van die behandeling grotendeels onbekend blijven.
'Geen denkpauze, maar een fuik'
Puberteitsremmers worden in de Nederlandse zorg vaak gepresenteerd als een reversibele denkpauze: een manier om tijd te winnen zonder onomkeerbare stappen te zetten. Bolhuis noemt dat beeld misleidend. In de praktijk is de stap naar puberteitsremmers voor de overgrote meerderheid van jongeren de eerste in een reeks die eindigt bij hormonen en soms chirurgie. Niet een pauzeknop dus, maar volgens hem eerder een fuik naar onomkeerbare ingrepen — een route die makkelijker in te gaan is dan te verlaten.
Een debat dat niet stopt bij het rapport
De kritiek van Bolhuis staat niet op zichzelf. Ook vanuit de intensive care-geneeskunde en vanuit ouderorganisaties is gewezen op dezelfde spanning tussen een zorgvuldig ogend proces en een zwakke onderliggende bewijsbasis. Internationaal hebben landen als Zweden, Finland en het Verenigd Koninkrijk hun beleid intussen aangescherpt op basis van vergelijkbare bezwaren. Zolang de Gezondheidsraad die vergelijking niet expliciet maakt, blijft de vraag die Bolhuis opwerpt onbeantwoord: weegt hier de wetenschap, of de aanname die aan het begin van het rapport al vaststond?
