
Op 20 augustus 2026 diende Kamerlid Anne-Marijke Podt (D66) schriftelijke vragen in (Kamerstuk 2026Z17085) over het bericht “Ruim 30 Nederlandse websites online met desinformatie over trans mensen: 'Ga niet naar een huisarts'” van Pointer (KRO-NCRV, 8 juli 2026). De vragen zijn gericht aan staatssecretaris W.J.M. Aerdts (Economische Zaken en Klimaat) en staatssecretaris J.Z.C.M. Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Het volledige Kamerstuk is te raadplegen op tweedekamer.nl.
Hieronder staan de dertien vragen van Kamerlid Podt, met daaronder steeds het antwoord van Stichting Genderinfo i.o. Voor de inhoudelijke weerlegging van de vijf concrete voorbeelden die Pointer noemt, zie De vijf claims van Pointer weerlegd; voor de achtergrond van de websites zelf, zie Wie zitten er achter de websites?.
Vraag 1 — Onjuiste medische informatie
Hoe beoordeelt u dat websites die zich presenteren als informatiebron over genderidentiteit aantoonbaar onjuiste medische informatie verspreiden, onder meer over spijt na transitie, genderdysforie en de effecten van transgenderzorg?
Pointer heeft claims van de betrokken websites getoetst aan de door hen aangehaalde bronnen en concludeert dat sprake is van mis- of desinformatie. De beheerders van de websites hebben aangegeven dat zij op basis van dezelfde bronnen tot een andere interpretatie komen. De vijf door Pointer genoemde voorbeelden zijn elders in dit dossier in detail besproken. Wij zijn bereid specifieke passages die als aantoonbaar onjuist worden aangemerkt te controleren en waar nodig aan te passen, mits concreet wordt aangegeven welke pagina en welke passage het betreft en welke bron dit tegenspreekt.
Vraag 2 — Bezoekcijfers en bereik
Is bekend hoe vaak deze 38 websites worden bezocht, via welke zoekmachines of sociale mediaplatforms bezoekers hier terechtkomen en in hoeverre minderjarigen tot de doelgroep of bezoekers behoren?
Wij hebben screenshots beschikbaar gesteld van genderinfo.nl (de website met de meeste pagina's en traffic, beschikbaar in meerdere talen) en bezorgdeoudersvantranskinderen.nl (een website met relatief weinig traffic). Op verzoek kunnen wij screenshots van andere sites leveren. Wij streven naar transparantie over de online impact van de websites.

bezorgdeoudersvantranskinderen.nl — unieke bezoekers per week en per maand.

genderinfo.nl — unieke bezoekers per week en per maand.
Vraag 3 — Het afraden van de huisarts
Deelt u de zorgen over websites waarop ouders expliciet wordt afgeraden om met hun kind naar de huisarts te gaan wanneer er vragen bestaan over genderidentiteit?
De formulering dat ouders expliciet wordt afgeraden om met hun kind naar de huisarts te gaan, verdient nuance. De huisarts is eerstelijns hulpverlening. Bij zelfgerapporteerde genderdysforie zal de huisarts doorgaans doorverwijzen naar een genderkliniek of een tweedelijns psychologenpraktijk. Zowel veel psychologenpraktijken als de genderklinieken werken volgens het genderaffirmatieve model, waarin zelfrapportage leidend is.
De ouders en experts die betrokken zijn bij deze websites hebben inmiddels 196 gezinnen (stand september 2026) in beeld waarbij het ouderlijk inzicht niet overeenkwam met de zelfrapportage van hun kind. Dit leidt in een deel van de gevallen tot ernstige gezinsontwrichting. Het genderaffirmatieve zorgmodel is zo ingericht dat zelfrapportage van de patiënt zwaar weegt. Wij zien hier een risico op iatrogene effecten binnen het gezin.
De huisarts is vaak beperkt bekend met de lichamelijke gevolgen van hormoonbehandelingen en met bepaalde chirurgische procedures. Op statsforgender.org zijn peer-reviewed studies verzameld die deze gevolgen in beeld brengen. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is de evidence-basis voor medische interventies bij minderjarigen onderwerp van herziening. Wij hebben het rapport Tekortkomingen in het Nederlandse Genderzorgprotocol (april 2026) opgesteld en ingebracht bij de Commissie Transgenderzorg voor Jongeren van de Gezondheidsraad. De commissie heeft het rapport aangenomen. Het rapport stelt 300 vragen; deze zijn in het Gezondheidsraadrapport van juni 2026 niet beantwoord. Ook de door ons aangedragen experts en literatuur blijven in het Gezondheidsraadrapport onbenoemd.
Wij nodigen Kamerlid Podt en andere Kamerleden uit tot een gesprek met een groep ouders en, indien gewenst, een spijtoptant, zodat een beter beeld ontstaat van de ervaringen van deze gezinnen.
Vraag 4 — Risico's voor toegang tot zorg
Welke risico's ziet u hierdoor voor de toegang tot passende en professionele zorg?
Als de ervaringen van de 196 gezinnen (stand september 2026) representatief blijken, zijn de risico's voor toegang tot passende en professionele zorg aanzienlijk. De ouders hebben de Gezondheidsraad tot drie keer toe benaderd; de commissie heeft elk gesprek geweigerd. Het Tekortkomingen-rapport was daarop een reactie. Wij achten het wenselijk dat deze ervaringen en de daarin aangedragen literatuur serieus worden betrokken bij de beoordeling van de zorgkwaliteit.
Vraag 5 — Mogelijkheden van toezichthouders
Welke mogelijkheden hebben toezichthouders om op te treden wanneer websites zich voordoen als betrouwbare gezondheidsinformatie, maar aantoonbaar misleidende medische informatie verspreiden?
Als er aantoonbaar misleidende medische informatie op de websites staat, passen wij dit per direct aan. De websites bevatten ongeveer 8.000 pagina's. Wij ontvangen graag een concrete lijst van passages die als misleidend worden aangemerkt, met specificatie van pagina, passage en tegensprekende bron.
Vraag 6 — Zelftests over genderidentiteit
Kan een website wettelijk gezien een zelftest over genderidentiteit aanbieden wanneer deze de valselijk indruk wekt inzicht te geven in iemands genderidentiteit of zorgbehoefte?
De zelftest op transgendercheck.nl is bedoeld om reflectie te stimuleren. Wij plaatsen deze tegenover de test op iedereenisanders.nl (een project van Movisie, COC en 113, in 2019 met overheidsfinanciering tot stand gekomen). Die test concludeert op basis van vier vragen dat iemand “misschien wel trans of non-binair” is. Wij achten dergelijke tests met beperkte vragen problematisch.
In het Tekortkomingen-rapport wordt dieper ingegaan op de Utrecht Gender Dysphoria Scale (UGDS) van Cohen-Kettenis (1996) en op de correspondentie met Cohen-Kettenis. Peggy Cohen-Kettenis was auteur van de UGDS en chair van het hoofdstuk genderdysforie in de DSM-5. De criteria overlappen sterk. In diverse kritische overzichten worden de onlogica's van de DSM-5-TR-criteria besproken. Wij ontvangen graag een voorstel voor een goede vragenlijst en hoe de antwoorden moeten worden geïnterpreteerd.
Vraag 7 — De Rijksbrede strategie desinformatie
In hoeverre valt het doelbewust en op grote schaal verspreiden van misleidende informatie over transgenderzorg onder de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie?
De Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie heeft als uitgangspunt dat de overheid het vrije en open publieke debat beschermt. Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid staan voorop. De overheid treedt alleen op wanneer nationale veiligheid, volksgezondheid of maatschappelijke stabiliteit aantoonbaar in het geding zijn. Het bestempelen van informatie als desinformatie is geen primaire taak van de overheid.
In dat licht past het doelbewust en op grote schaal verspreiden van misleidende informatie over transgenderzorg binnen de strategie – mits correct wordt vastgesteld wat misleidend is. Wat volgens de beste beschikbare evidence problematisch is, is de stellige presentatie van medische transitie (puberteitsblokkers, cross-sex hormonen en chirurgie) als bewezen effectieve en veilige behandeling voor genderdysforie, vooral bij minderjarigen. De Cass Review (NHS England, 2024) concludeerde na systematische reviews dat de bewijsbasis voor deze interventies “remarkably weak” is. Er is geen betrouwbaar bewijs dat deze behandelingen genderdysforie of de mentale gezondheid structureel verbeteren, terwijl de effecten op cognitieve ontwikkeling, botdichtheid, vruchtbaarheid en seksuele functie onomkeerbaar kunnen zijn.
Langetermijngegevens wijzen op aanhoudend verhoogde risico's. De Zweedse cohortstudie van Dhejne et al. (2011) vond na geslachtsaanpassende behandeling een significant hogere mortaliteit (aHR 2,8), met name door suïcide (aHR 19,1), vergeleken met de algemene bevolking. Vergelijkbare verhoogde sterftecijfers komen terug in recentere registerstudies. Daarnaast is er een duidelijke oververtegenwoordiging van kwetsbare groepen, waaronder autisme en andere neurodivergente aandoeningen (prevalentieschattingen van ASD-diagnoses rond 11% of hoger in klinische cohorts).
Een serieuze aanpak van desinformatie over transgenderzorg zou moeten beginnen bij het corrigeren van overdreven claims over de voordelen en veiligheid van medische transitie, en bij het openlijk erkennen van de zwakke bewijsbasis, de hoge comorbiditeit en de blijvende gezondheidsrisico's. Het labelen van kritische, bronvermelde informatie hierover als “desinformatie” dreigt het open debat te bemoeilijken dat de Rijksbrede strategie beoogt te beschermen.
Vraag 8 — Minderheidsgroepen als doelwit
Wordt binnen het bestaande beleid tegen desinformatie onderzocht of lhbtiq+ personen en andere minderheidsgroepen doelwit zijn van georganiseerde of gecoordineerde desinformatiecampagnes?
Voor zover openbaar bekend is, wordt binnen de Rijksbrede strategie niet structureel onderzocht of lhbtiq+-personen of andere minderheidsgroepen specifiek doelwit zijn van georganiseerde of gecoordineerde desinformatiecampagnes. De strategie richt zich vooral op de weerbaarheid van burgers, buitenlandse beïnvloeding, verkiezingsintegriteit en medische desinformatie in het algemeen.
Onze zorg betreft niet de mensen die zich als transgender identificeren. Die mensen verdienen respect, bescherming tegen geweld en goede, evidence-based zorg. Onze kritiek richt zich op de medische praktijk – het inzetten van puberteitsblokkers, cross-sex hormonen en chirurgie bij (vooral) jongeren – en op de zwakke wetenschappelijke onderbouwing daarvan. Wanneer kritiek op deze medische route systematisch wordt weggezet als “desinformatie gericht tegen een minderheidsgroep”, dreigt legitieme, bronvermelde discussie over schade, comorbiditeit en langetermijnuitkomsten te worden bemoeilijkt.
Vraag 9 — Bereidheid tot nader onderzoek
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Wij zien geen reden waarom de overheid specifiek moet onderzoeken of lhbtiq+-personen of andere minderheidsgroepen doelwit zijn van georganiseerde desinformatiecampagnes, zolang de term “desinformatie” vooral wordt gebruikt om legitieme, bronvermelde kritiek op de medische genderzorg te diskwalificeren. Wat wel onderzocht zou moeten worden, is de kwaliteit en eenzijdigheid van de informatie over transgenderzorg zelf: de zwakke bewijsbasis voor puberteitsblokkers en cross-sex hormonen bij minderjarigen, de hoge mate van comorbiditeit (waaronder autisme), de langetermijnuitkomsten en de manier waarop kritische vragen van ouders en professionals in de praktijk worden bejegend. Het Tekortkomingen-rapport ligt daarin diametraal tegenover het Gezondheidsraad-rapport.
Vraag 10 — Websites gemaakt met generatieve AI
Ziet u een bredere ontwikkeling waarbij met behulp van generatieve AI grote aantallen websites kunnen worden geproduceerd die op het eerste gezicht betrouwbaar ogen, maar feitelijk desinformatie over minderheidsgroepen of gezondheidszorg verspreiden?
Die ontwikkeling bestaat. Generatieve AI maakt het technisch eenvoudig om in korte tijd grote aantallen websites te produceren die er professioneel en betrouwbaar uitzien. Dat geldt voor elk onderwerp, inclusief gezondheidszorg en genderidentiteitskwesties. Het kernpunt is echter niet de technologie, maar de inhoudelijke kwaliteit. AI kan zowel correcte, bronvermelde informatie als misleidende of eenzijdige claims opschalen.
In het debat over transgenderzorg zien wij beide kanten. Sites die de medische transitie presenteren als bewezen veilig en effectief, terwijl de bewijsbasis volgens onafhankelijke reviews (zoals de Cass Review) zwak is, komen tot stand met ondersteuning van overheidsgeld. Het gevaar ligt niet primair bij het bestaan van kritische websites, maar bij het ontbreken van transparantie over bronnen, de selectieve presentatie van onderzoek en het wegzetten van tegengeluiden als “desinformatie”. AI versterkt bestaande informatieproblemen; het creëert ze niet. De oplossing ligt in open bronvermelding, onafhankelijke toetsing van claims en ruimte voor wetenschappelijk debat.
Vraag 11 — Risico's van die ontwikkeling
Zo ja, welke risico's ziet u hierin?
De belangrijkste risico's zijn:
- Schaalvergroting van eenzijdige of onjuiste claims. AI maakt het mogelijk om in korte tijd tientallen of honderden websites te produceren die er professioneel uitzien.
- Verminderde herkenbaarheid van bronkwaliteit. Wanneer sites er betrouwbaar uitzien, wordt het voor ouders, jongeren en professionals moeilijker om te onderscheiden of claims daadwerkelijk steunen op solide onderzoek.
- Versterking van polarisatie. AI kan bestaande narratieven aan beide kanten van het debat opschalen.
- Aandachtsverschuiving. De focus dreigt te komen liggen op “wie produceert de meeste websites” in plaats van op de inhoudelijke vraag naar de kwaliteit van het bewijs voor de medische interventies zelf.
Vraag 12 — Pointer en het emancipatiebeleid
Bent u bereid de bevindingen van Pointer mee te nemen in de verdere uitwerking van het emancipatiebeleid en de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie en de Kamer te informeren over de concrete maatregelen die hieruit volgen?
De bevindingen van Pointer nemen wij serieus. Pointer heeft claims van de betrokken websites getoetst aan de door hen aangehaalde bronnen en concludeert dat sprake is van mis- of desinformatie. De beheerders van de websites hebben aangegeven dat zij op basis van dezelfde bronnen tot een andere interpretatie komen.
Er is hier sprake van een inhoudelijk wetenschappelijk en maatschappelijk debat over de aard, prevalentie, comorbiditeit en behandeling van genderdysforie, met name bij minderjarigen. Dit debat kenmerkt zich door uiteenlopende lezingen van de beschikbare evidence.
Wij roepen de staatssecretarissen op de bevindingen van Pointer, en ook onze reactie daarop, te betrekken bij de verdere uitwerking van het emancipatiebeleid en de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie, en de Kamer te informeren zodra concrete vervolgstappen zijn bepaald.
Daarbij blijft ons uitgangspunt dat het bestempelen van informatie als desinformatie in eerste instantie geen taak is van de overheid, maar van onafhankelijke media, factcheckers en de wetenschappelijke gemeenschap. Vrijheid van meningsuiting en de mogelijkheid tot open wetenschappelijk debat staan daarbij voorop.
Vraag 13 — Betrouwbare informatie vindbaar maken
Hoe gaat u ervoor zorgen dat correcte en betrouwbare informatie aandacht krijgt en goed gevonden kan worden?
Correcte en betrouwbare informatie over genderdysforie en transgenderzorg is te vinden in peer-reviewed wetenschappelijke literatuur, systematische reviews en evidence-based richtlijnen van onafhankelijke instituten, alsmede in officiële rapporten van overheidsinstanties en medische organisaties die de kwaliteit van evidence expliciet wegen.
Er is sprake van een levendig politiek en wetenschappelijk debat. Recente systematische reviews (onder meer de Cass Review in het Verenigd Koninkrijk en vergelijkbare analyses in andere Europese landen) hebben de zwakke evidence-basis voor bepaalde medische interventies bij minderjarigen onderstreept. Ook de Amerikaanse HHS-rapporten wijzen in dezelfde richting. Er lopen juridische procedures, waaronder de recente rechtszaak van de Amerikaanse FTC en meerdere staten tegen WPATH, waarin de organisatie wordt verweten misleidende claims te hebben gedaan over de noodzaak, veiligheid en effectiviteit van behandelingen.
De overheid bevordert toegang tot betrouwbare informatie het beste via mediawijsheid, ondersteuning van onafhankelijke factchecking en het stimuleren van open wetenschappelijke discussie — zonder dat de overheid zelf de wetenschappelijke consensus vaststelt of bepaalde standpunten als “waarheid” oplegt.
Wij blijven beschikbaar voor nadere toelichting en voor een gesprek met Kamerleden, ouders en andere betrokkenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Reactie op de Kamervragen.
